Het geschil betreft de interpretatie van de CAO-begrippen ‘werk’ en ‘werkobject’. De - in het vonnis bevestigde - opvatting van de brancheorganisatie luidt als volgt.
Indien een werknemer rechtstreeks vanaf huis naar het projectadres (in CAO-terminologie ’werkobject’ of kortweg ‘werk’) gaat, is de reisurenregeling direct van toepassing. De chauffeur krijgt vanaf het vertrek meteen zijn reisuren uitbetaald. Voor passagiers is het eerste uur voor eigen rekening. Indien de werknemer echter eerst naar de bedrijfslocatie van de werkgever gaat, geldt dit als woon-/werkverkeer. Aangezien in de CAO geen regeling voor woon-/werkverkeer is opgenomen, hoeven werkgevers hun personeel hiervoor geen reisuren te vergoeden. Het woon-/werkverkeer hoeft ook niet te worden betrokken in het maximaal te werken aantal uren per dag. Zodra de werknemer vanuit de bedrijfslocatie vertrekt naar het projectadres, is de reisurenregeling uiteraard wèl van toepassing.
Volgens de - in het vonnis terzijde gelegde - interpretatie van de bonden is de reisurenregeling van toepassing zodra de werknemer van huis gaat, ongeacht of hij naar het projectadres of eerst naar de bedrijfslocatie van de werkgever reist. Wanneer de werknemer rechtstreeks naar het werkobject reist, is naar de mening van de vakbonden direct sprake van volwaardige arbeidsuren. Als de werknemer eerst naar het werk reist, komt – aldus de vakbonden – de reistijd vanaf huis naar het werk in aanmerking voor de reisurenregeling en is er sprake van arbeidstijd zodra de werknemer vertrokken is vanaf het werk naar het werkobject.
De uitspraak van de Rechtbank Utrecht is binnen VEBIDAK met instemming ontvangen. Weliswaar hebben de vakbonden de mogelijkheid om tegen deze uitspraak in beroep te gaan. Het nu voorliggende vonnis is echter zo weldoortimmerd en stellig dat de brancheorganisatie ook een eventuele beroepsprocedure met vertrouwen tegemoet ziet.